U bevindt zich in
Verdrag van Rome -EVRM-
Dwarsligger
Pagina's startIndex Aanvullend ProtocolAanvullend ProtocolAanvullend Protocol 04Aanvullend Protocol 06Aanvullend Protocol 07Aanvullend Protocol 12Aanvullend Protocol 13Aanvullend Protocol 16EVRM BestandenConvention NLD.pdf
Hoofdstukken
Menu terug
Aanvullend Protocol 04

Protocol Nr. 4 bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentale Vrijheden, tot het waarborgen van bepaalde rechten en vrijheden die niet reeds in het Verdrag en in het Eerste Protocol daarbij zijn opgenomen

Straatsburg, 16.IX.1963

De Regeringen die dit Protocol hebben ondertekend, zijnde Leden van de Raad van Europa,
Vastbesloten om maatregelen te nemen teneinde de collectieve handhaving te verzekeren van bepaalde rechten en vrijheden die niet zijn genoemd in Titel I van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen „het Verdrag“) en in de Artikelen 1 tot en met 3 van het eerste Protocol bij het Verdrag, ondertekend te Parijs op 20 maart 1952.
Zijn het volgende overeengekomen:

ARTIKEL 1 Verbod van vrijheidsbeneming wegens schulden ARTIKEL 2 Vrijheid van verplaatsing
  1. Een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft binnen dat grondgebied het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen.
  2. Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten.
  3. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
  4. De in het eerste lid genoemde rechten kunnen ook, in bepaalde omschreven gebieden, worden onderworpen aan beperkingen die bij de wet zijn voorzien en gerechtvaardigd worden door het algemeen belang in een democratische samenleving.
ARTIKEL 3 Verbod van uitzetting van onderdanen
  1. Niemand mag, bij wege van een maatregel van individuele of collectieve aard, worden uitgezet uit het grondgebied van de Staat, waarvan hij een onderdaan is.
  2. Aan niemand mag het recht worden ontnomen het grondgebied te betreden van de Staat, waarvan hij een onderdaan is.
ARTIKEL 4 Verbod van collectieve uitzetting van vreemdelingen
ARTIKEL 5 Territoriale werkingssfeer
  1. Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan, ten tijde van de ondertekening of van de bekrachtiging van dit Protocol of op ieder tijdstip nadien, aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een verklaring doen toekomen, waarin wordt medegedeeld in hoeverre zij zich verbindt de bepalingen van dit Protocol eveneens te doen gelden voor die in de verklaring genoemde gebieden voor welker internationale betrekkingen zij verantwoordelijk is.
  2. Iedere Hoge Verdragsluitende Partij die krachtens het vorige lid een verklaring heeft overgelegd kan van tijd tot tijd een nadere verklaring overleggen, waarbij het gestelde in een voorgaande verklaring kan worden gewijzigd of waarbij de toepassing van de bepalingen van dit Protocol met betrekking tot een bepaald gebied wordt beëindigd.
  3. Een verklaring afgelegd overeenkomstig dit artikel wordt geacht te zijn afgelegd overeenkomstig lid 1 van Artikel 56 van het Verdrag.
  4. Het gebied van een Staat waarvoor dit Protocol geldt krachtens bekrachtiging of aanvaarding door die Staat en ieder gebied waarvoor dit Protocol geldt krachtens een door die Staat ingevolge dit artikel afgelegde verklaring, worden voor de toepassing van de Artikelen 2 en 3, in zover deze gewagen van het grondgebied van een Staat, als afzonderlijke grondgebieden aangemerkt.
  5. Iedere Staat die een verklaring heeft afgelegd in overeenstemming met het eerste of tweede lid van dit artikel, kan te allen tijde daarna voor één of meer gebieden waarop de verklaring betrekking heeft, verklaren dat hij de bevoegdheid van het Hof aanvaardt om kennis te nemen van verzoekschriften van natuurlijke personen, niet-gouvernementele organisaties of groepen personen, bedoeld in Artikel 34 van het Verdrag, ten aanzien van de Artikelen 1 tot en met 4 van dit Protocol of één of meer van deze artikelen.
ARTIKEL 6 Verhouding tot het Verdrag ARTIKEL 7 Ondertekening en bekrachtiging
  1. Dit Protocol is opengesteld voor ondertekening door de Leden van de Raad van Europa die het Verdrag hebben ondertekend;
    het wordt bekrachtigd tegelijkertijd met of na de bekrachtiging van het Verdrag.
    Het treedt in werking na de nederlegging van vijf akten van bekrachtiging.
    Met betrekking tot iedere ondertekenaar die het daarna bekrachtigt treedt het Protocol in werking op de dag van de nederlegging van de akte van bekrachtiging.
  2. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die aan alle Leden kennis geeft van de namen van hen die het Protocol hebben bekrachtigd.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

Gedaan te Straatsburg, de 16e september 1963, in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar, hetwelk zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa.
De Secretaris-Generaal zal gewaarmerkte afschriften doen toekomen aan elk van de ondertekenende Staten.

Bron:
European Court of Human Rights
Council of Europe
F-67075 Strasbourg cedex
www.echr.coe.int
Valid HTML 5.0 Valid CSS
Een link is een pagina,
een link is een hoofdstuk,
een link is in een externe website,
een link is een download.
© Dwarsligger.org, overname met bronvermelding toegestaan,
tenzij anders aangegeven.
Ron's CMS versie 191003a
Samengesteld in
Inhoud grootte
Aangemaakt op
Aangepast    op
38677 µsec.
12173 bytes
Onbekend
06 okt 2019